zondag, juni 02, 2013

Kingsley Amis: Lucky Jim


Toen ik op de middelbare school boeken moest uitzoeken om te lezen voor mijn eindexamen raadde mijn vader mij Lucky Jim van Kingsley Amis aan. Een Penguin pocket met op het omslag een pentekening van een wat slungelige jongeman met een brilletje (Illustratie). Het trok me niet, dat boek. Ik vermoed dat ik nog wel geprobeerd heb enige pagina's te lezen. Maar verder dat kwam ik niet.

Bij de vorige boekenruil van Erasmus Cultuur, aanstaande dinsdag is er weer een nieuwe, nam ik een exemplaar van hetzelfde boek mee, met een ander en veel minder mooi omslag, ronduit lelijk eigenlijk. Verschenen in de Sparrow-serie, een serie boeken voor middelbare scholieren, uit 1992. Ik las opnieuw enkele pagina's en ik kon me goed voorstellen waarom ik niet verder was gekomen. Het Engels is absoluut niet gemakkelijk en ik moest een aantal zinnen herlezen voordat ik snapte waar die over gingen. Maar dit keer zette ik door.

De avonturen van Lucky Jim zijn de avonturen van een jongeman in een klein universiteidsstadje in de provincie in een niet nader genoemde plaats in Engeland. Jim Dixon is de assistent van een professor in de geschiedenis, de heer Welch, een snobistisch en zelfingenomen heerschap. Dixon heeft een soort van verhouding met Margaret, een neurotisch en egocentrisch en niet al te knappe jongedame, na een zelfmoordpoging van deze laatste.

De streken die Dixon uithaalt zijn ronduit dwaas en dat maakt het boek tot een schelmenroman met in de hoofdrol een antiheld die voortdurend domme dingen doet maar zich daar door zijn geluk altijd weer uit weet te redden. Zowel de situaties als de zinnen in het boek zijn overmatig komisch en dat maakt het tot een genot om te lezen. Kingsley Amis hanteert een stijl die me aan Jonathan Coe deed denken. Wie weet is de laatste door de eerste beïnvloedt, Dit boek is van 1953, zo'n acht jaar voor de geboorte van Coe.  

Hoogtepunt is de lezing die Dixon moet houden over Merrie England, het gelukkige middeleeuwse Engeland, iets waarin hij zelf helemaal niet gelooft. Het onderwerp heeft hij opgekregen van zijn baas, professor Welch. Op dat moment, al aardig tegen het einde van het boek, heeft hij zich behoorlijk in de nesten gewerkt en ziet het er naar uit dat zijn jaarcontract aan de geschiedenisfaculteit niet verlengd zal worden. Alles hangt af van de lezing. Maar hij heeft de zoon van de professor, een arrogante would-be schilder met een baard en een alpinopet, al tegen zich ingenomen door er tijdens het jaarlijkse bal vandoor te gaan met diens meisje, de knappe Christine. Daarbij heeft de vrouw van de professor een hekel aan hem omdat hij nadat hij dronken was geworden in de kroeg, een groot gat in een van haar beddenlakens heeft gebrand.

De inhoud van de lezing wordt niet weergegeven in het boek maar alle gedachten die in het hoofd van Dixon rondspoken tijdens het geven van de lezing. Bij aanvang ervan is hij behoorlijk dronken van enige sherries en een whiskey en tot overmaat van ramp kan hij zijn stem niet onder controle houden en imiteert hij daardoor eerst de professor, daarna het hoofd van de universiteit en gaat hij verder met een noordelijk accent van het gebied waar hij vandaar komt. Hij sluit af met het dusdanig sarcastisch en ironisch uitspreken zodat het duidelijk wordt dat hij niets meent van wat hij zegt.

Ik denk niet dat ik de wereld die dit boek beschrijft begrepen had toen ik op de middelbare school zat. Nu herken ik zelfs de wetenschappelijke fraude die in het boek voorkomt, waardoor het nog steeds actueel is. Maar niet alleen daardoor, ook door de karakters en situaties die van alle tijden zijn en door de weergaloze schrijfstijl.

Geen opmerkingen: